02jul

SAMENVATTING: Waarom deze whitepaper?

Boa’s krijgen steeds vaker te maken met complexe en soms agressieve situaties. De discussie over de korte wapenstok is daardoor actueler dan ooit. Maar deze discussie gaat over meer dan een extra geweldsmiddel. Ze raakt aan fundamentele vragen over de ontwikkeling van het boa-vak, de veiligheid van professionals en de verwachtingen die de samenleving stelt aan handhaving.

Wat leert deze whitepaper?

  • hoe de discussie over de korte wapenstok is ontstaan;
  • wat de landelijke pilot heeft opgeleverd;
  • waarom sommige organisaties wel kiezen voor de korte wapenstok en andere niet;
  • hoe het besluitvormingsproces werkt;
  • welke lessen dit oplevert voor leidinggevenden, bestuurders en boa’s;
  • waarom de toekomst van het boa-vak verder reikt dan de discussie over één geweldsmiddel.

De belangrijkste conclusie

De discussie over de korte wapenstok gaat uiteindelijk niet over een wapenstok. Ze gaat over de vraag hoe wij boa’s professioneel toerusten op een samenleving die steeds complexere eisen stelt aan hun vak.

HOOFDSTUK 1: Wel of geen wapenstok?

De vraag achter de discussie

Stel je voor.

Het is vrijdagavond. Rond middernacht spreken twee boa’s een groep jongeren aan die overlast veroorzaakt op een plein. Een eenvoudige controle verandert binnen enkele seconden. De sfeer slaat om. Eén persoon komt dreigend dichterbij. Een ander begint te filmen. Omstanders bemoeien zich ermee. De politie is onderweg, maar nog niet ter plaatse.

Wat doe je?

Blijf je in gesprek? Trek je je terug? Grijp je in? En beschik je over voldoende middelen om dat veilig te doen?

Dit soort situaties vormen de voedingsbodem voor een discussie die de afgelopen jaren steeds nadrukkelijker wordt gevoerd: moeten boa’s beschikken over een korte wapenstok?

Voor de één is het antwoord helder. Boa’s krijgen steeds vaker te maken met agressie en geweld. Wie namens de overheid grenzen stelt, moet zichzelf en collega’s kunnen beschermen.

Voor de ander ligt het ingewikkelder. Een extra geweldsmiddel kan bijdragen aan veiligheid, maar roept ook vragen op. Verandert daarmee de rol van de boa? Vergroot het de kans op escalatie? En hoe voorkomen we dat de grens tussen boa en politie verder vervaagt?

Juist daarom is de discussie over de korte wapenstok veel meer dan een debat over uitrusting.

Ze raakt aan fundamentele vragen over de toekomst van het boa-vak.

Welke verantwoordelijkheden leggen we bij boa’s neer? Welke risico’s vinden we acceptabel?

En hoe zorgen we ervoor dat professionals veilig kunnen werken zonder het vertrouwen van inwoners te verliezen?

De afgelopen jaren is hierover veel geschreven en gediscussieerd. Gemeenten namen deel aan pilots. Onderzoekers evalueerden de resultaten. Werkgevers dienden nieuwe aanvragen in. Sommige organisaties kregen toestemming om de korte wapenstok structureel in te zetten, terwijl andere aanvragen werden afgewezen. Ook binnen politiek, politie, Openbaar Ministerie en vakorganisaties lopen de meningen uiteen.

Tegelijkertijd dreigt het debat soms te blijven steken in een eenvoudige tegenstelling: vóór of tégen de wapenstok. Dat doet geen recht aan de werkelijkheid.

Want achter iedere beleidskeuze staat uiteindelijk een professional die dagelijks op straat werkt. Een boa die voortdurend moet schakelen tussen contact maken, grenzen stellen, de-escaleren en – als het echt niet anders kan – optreden.

Deze whitepaper kiest daarom een andere invalshoek. Niet de vraag óf de korte wapenstok goed of slecht is staat centraal.

De centrale vraag is:

Wat vertelt de discussie over de korte wapenstok ons over de ontwikkeling van het boa-vak?

Om die vraag te beantwoorden kijken we naar de geschiedenis van het beroep, de landelijke pilot, de ervaringen van gemeenten en andere werkgevers, de besluitvorming achter de schermen en de lessen die daaruit kunnen worden getrokken.

Want uiteindelijk gaat deze discussie niet alleen over een geweldsmiddel.

Ze gaat over de mensen die dagelijks namens de overheid werken aan de veiligheid en leefbaarheid van onze samenleving.

Hoofdstuk 2 – Van toezichthouder naar veiligheidsprofessional

Hoe de ontwikkeling van het boa-vak de discussie over de wapenstok in beweging bracht

Wie vandaag de dag een boa aan het werk ziet, ziet een professional die veel meer doet dan toezicht houden op de openbare ruimte. Dat was niet altijd zo.

De voorgangers van de huidige boa’s – zoals de stadswachten en later de stadswacht-plus – waren vooral zichtbaar aanwezig in de wijk. Hun taak was overzichtelijk: toezicht houden, burgers aanspreken, een oogje in het zeil houden en bijdragen aan de leefbaarheid. Bij dreigende situaties was de politie verantwoordelijk voor het verdere optreden.

In de afgelopen twintig jaar veranderde dat beeld stap voor stap.

De samenleving veranderde sneller dan het vak

"De rol van de boa veranderde de afgelopen decennia van toezichthouder naar een professionele handhaver die steeds vaker opereert in complexe veiligheidsvraagstukken."
“De rol van de boa veranderde de afgelopen decennia van toezichthouder naar een professionele handhaver die steeds vaker opereert in complexe veiligheidsvraagstukken.”

Gemeenten kregen steeds meer verantwoordelijkheden op het gebied van toezicht en handhaving. Tegelijkertijd werd de samenleving complexer. Overlast kreeg vaker een veiligheidscomponent. Denk aan ondermijning, verward gedrag, jeugdgroepen, evenementen, horeca, demonstraties en de toenemende druk op de openbare ruimte.

Boa’s kwamen daardoor steeds vaker terecht in situaties waarin zij niet alleen moesten handhaven, maar ook moesten inschatten, bemiddelen en de-escaleren.

Hun werk werd inhoudelijk zwaarder, terwijl de maatschappelijke verwachtingen bleven groeien.

De boa als eerste overheid op straat

Voor veel inwoners is een boa tegenwoordig de eerste vertegenwoordiger van de overheid die zij tegenkomen.

Dat vraagt om veel meer dan alleen kennis van wet- en regelgeving.

Een goede boa moet kunnen communiceren, grenzen stellen, emoties herkennen, onder druk blijven functioneren en voortdurend afwegen welke interventie het meest passend is. Vaak gebeurt dat in situaties waarin de politie niet direct aanwezig is.

Juist die combinatie maakt het vak bijzonder. En tegelijkertijd kwetsbaar.

Meer verantwoordelijkheden, dezelfde kern

Hoewel het werk sterk veranderde, bleef één uitgangspunt altijd overeind:

De kracht van de boa zit in contact.

De-escaleren, uitleg geven en professioneel communiceren vormen nog steeds de belangrijkste instrumenten van iedere handhaver. In de overgrote meerderheid van de situaties blijken die ook voldoende. Toch groeide tegelijkertijd het besef dat niet iedere situatie met woorden alleen kan worden opgelost.

Wanneer een gesprek omslaat in bedreiging of geweld, ontstaat een ander vraagstuk: hoe bescherm je de professional die namens de overheid optreedt? Daarmee verschoof de discussie langzaam van bevoegdheden naar veiligheid.

Een kantelpunt in het denken

De coronaperiode maakte die ontwikkeling voor veel mensen zichtbaar. Boa’s kregen de taak om ingrijpende coronamaatregelen te handhaven. Dat leidde op sommige plaatsen tot meer weerstand, meer spanningen en meer agressie. Tegelijkertijd werd duidelijk hoe vaak boa’s zelfstandig moesten optreden voordat de politie ter plaatse was.

De discussie over beschermingsmiddelen kwam daardoor in een stroomversnelling. Niet omdat de coronaperiode de oorzaak was, maar omdat zij bestaande ontwikkelingen zichtbaar maakte. De vraag werd niet langer óf het werk veranderde, maar hoe organisaties daarop moesten reageren.

Een nieuw beeld van professionalisering

In de afgelopen jaren is de discussie over de boa daarom breder geworden dan de vraag naar extra bevoegdheden of uitrusting.

Steeds vaker gaat het over kwaliteit.

Welke opleiding past bij het werk van vandaag? Hoe zorgen we ervoor dat boa’s vakbekwaam blijven? Welke competenties zijn nodig om onder druk de juiste beslissingen te nemen? En hoe ondersteunen we professionals die dagelijks worden geconfronteerd met conflicten, agressie en maatschappelijke spanningen?

Dat zijn vragen die niet alleen bestuurders bezighouden, maar ook teamleiders, opleiders en handhavers zelf.

De wapenstok als gevolg, niet als vertrekpunt

Vanuit dat perspectief is het logisch dat ook de discussie over de korte wapenstok ontstond. Niet omdat gemeenten op zoek waren naar méér geweldsmiddelen. Maar omdat zij zich afvroegen of de uitrusting van boa’s nog aansloot bij de werkelijkheid op straat.

De korte wapenstok werd daarmee geen doel op zich, maar onderdeel van een bredere zoektocht naar de vraag hoe boa’s veilig, professioneel en verantwoord hun werk kunnen blijven doen.

Die vraag leidde uiteindelijk tot een landelijke pilot waarin voor het eerst op grote schaal werd onderzocht wat de inzet van de korte wapenstok in de praktijk betekent. In het volgende hoofdstuk bekijken we die pilot. Niet vanuit meningen, maar vanuit de feiten. Wat gebeurde er daadwerkelijk? Welke ervaringen deden boa’s op? En welke lessen kunnen gemeenten en andere werkgevers daaruit trekken?

Hoofdstuk 3 – Wat leert de landelijke pilot ons?

De feiten achter het debat over de korte wapenstok

Over de korte wapenstok wordt veel gezegd. Soms vanuit ervaring, soms vanuit zorg, soms vanuit politieke overtuiging. Juist daarom is de landelijke pilot belangrijk. Die bracht de discussie terug naar de praktijk.

Wat gebeurt er als boa’s daadwerkelijk met een korte wapenstok worden uitgerust? Wordt het veiliger? Wordt er vaker geweld gebruikt? Of blijkt het middel vooral een extra mogelijkheid te zijn in uitzonderlijke situaties?

Tien gemeenten als proeftuin

In 2021 kregen tien gemeenten toestemming om deel te nemen aan een landelijke pilot met de korte wapenstok. Het ging om Alkmaar, Amsterdam, Capelle aan den IJssel, Hoorn, Leeuwarden, Valkenburg aan de Geul, Velsen, Zandvoort, Zoetermeer en Zuidwest Friesland.

Per gemeente mochten maximaal twintig boa’s de korte wapenstok dragen. De pilot was nadrukkelijk geen landelijke invoering, maar een gecontroleerde proef. Het doel was om te onderzoeken onder welke voorwaarden inzet van de korte wapenstok verantwoord zou kunnen zijn.

De evaluatie werd uitgevoerd in opdracht van het WODC door PLATO, Ockham IPS en ISGA van de Universiteit Leiden. De onderzoekers spraken met boa’s, werkgevers, beleidsmakers en toezichthouders. Ook werden incidentregistraties, enquêtes en praktijkervaringen geanalyseerd.

Waarom wilden gemeenten meedoen?

De redenen voor deelname liepen per gemeente uiteen, maar de rode draad was herkenbaar. Gemeenten verwezen naar een harder wordende samenleving, veranderende taken van boa’s, lokale veiligheidsproblemen, handhaving tijdens de coronaperiode en soms lange aanrijtijden van de politie. Met andere woorden: de aanvraag kwam niet voort uit de wens om boa’s “zwaarder” te maken, maar uit de vraag of hun uitrusting nog paste bij de situaties waarin zij terechtkwamen. Dat is een belangrijk onderscheid.

De pilot ging niet alleen over een geweldsmiddel. Zij ging vooral over de vraag hoe taak, risico en uitrusting beter op elkaar kunnen worden afgestemd.

Hoe vaak werd de wapenstok gebruikt?

De cijfers uit de pilot geven een genuanceerd beeld. In totaal werden 59 meldingen geregistreerd van gebruik of dreigen met de korte wapenstok tegen personen. Daarvan kwamen 40 meldingen uit Amsterdam. In 21 gevallen was sprake van daadwerkelijk fysiek gebruik tegen een persoon. Ook daarvan vond het grootste deel plaats in Amsterdam. In vijf gemeenten is de korte wapenstok tijdens de pilot niet fysiek ingezet. Daar bleef het bij het tonen van het middel of het dreigen ermee. Dat is misschien wel één van de belangrijkste inzichten uit de evaluatie: de wapenstok werd in de meeste gemeenten zeer terughoudend gebruikt.

De onderzoekers zagen dat alleen het tonen of dreigen met de wapenstok in veel situaties al voldoende was om controle terug te krijgen. Tegelijkertijd plaatsen zij een belangrijke kanttekening: op basis van de beschikbare gegevens is niet vast te stellen hoe dezelfde situaties zouden zijn verlopen zonder wapenstok.

De pilot bewijst dus niet dat de wapenstok altijd nodig is. Maar zij laat wel zien dat het middel in bepaalde situaties functioneel kan zijn.

Geen wondermiddel

De onderzoekers trekken geen simpele conclusie vóór of tegen de wapenstok. Sterker nog: zij benadrukken dat de vraag of de korte wapenstok wenselijk is uiteindelijk een politieke en bestuurlijke keuze blijft. De evaluatie laat vooral zien onder welke voorwaarden inzet verantwoord kan zijn. Die voorwaarden zijn stevig.

Een boa moet goed worden opgeleid. De organisatie moet duidelijke afspraken maken met politie en Openbaar Ministerie. Er moet worden geregistreerd wanneer de wapenstok wordt getoond of gebruikt. Incidenten moeten worden nabesproken. En leidinggevenden moeten actief sturen op terughoudendheid, proportionaliteit en professioneel gedrag. Daarmee verschuift de belangrijkste les van de pilot. Niet de wapenstok zelf bepaalt of de inzet verantwoord is. De kwaliteit van de organisatie eromheen doet dat.

De rol van training en reflectie

“De pilot liet zien dat niet het middel zelf, maar training, reflectie en professioneel oordeel bepalend zijn voor verantwoord gebruik.”

Een opvallende bevinding uit de evaluatie is dat training niet alleen moet gaan over het gebruiken van de wapenstok. Juist het niet gebruiken ervan verdient aandacht.

Boa’s die meer oefenden met de-escalatie, communicatie, terugtrekken en reflectie op incidenten, rapporteerden vaker een terughoudende houding. In sommige gemeenten werden incidenten zorgvuldig nabesproken, soms ook met behulp van bodycambeelden. Dat hielp teams om samen te leren van wat er op straat gebeurde.

Dat is een belangrijk signaal voor iedere organisatie die overweegt de korte wapenstok aan te vragen. Een geweldsmiddel vraagt niet alleen om technische vaardigheid.

Het vraagt om professioneel oordeel. Wanneer stap je naar voren?

Wanneer houd je afstand? Wanneer vraag je assistentie?

Wanneer is terugtrekken verstandiger dan ingrijpen? Precies op die momenten wordt zichtbaar of een organisatie haar mensen goed heeft voorbereid.

De risico’s werden ook zichtbaar

De pilot liet niet alleen positieve ervaringen zien. Ongeveer een kwart van de ondervraagde boa’s gaf aan dat zij met de wapenstok eerder op situaties afstapten, minder snel assistentie vroegen of zich minder vaak terugtrokken. De onderzoekers konden niet vaststellen of dit gedrag op straat daadwerkelijk veranderde, maar het signaal is belangrijk. Een geweldsmiddel kan namelijk ook iets doen met het zelfvertrouwen, het risicogedrag en de professionele afweging van de drager.

Daarnaast was er in Amsterdam één situatie waarin de toezichthouder oordeelde dat onvoldoende was aangetoond dat een minder ingrijpende optie niet mogelijk was. Dat raakt aan een kernpunt: ook als de druk hoog is, moet achteraf uitlegbaar blijven waarom inzet van de wapenstok noodzakelijk was. Voor boa’s en leidinggevenden is dat geen juridische voetnoot, maar dagelijkse praktijk.

De belangrijkste les

De landelijke pilot geeft geen simpel antwoord op de vraag of iedere boa een korte wapenstok moet dragen. Dat is ook niet wat de pilot moest doen. De belangrijkste les is genuanceerder: de korte wapenstok kan in bepaalde omstandigheden bijdragen aan veiligheid en controle, maar alleen wanneer de organisatie daar professioneel op is ingericht.

Dat betekent:

  • scherpe taakafbakening;
  • goede selectie;
  • gedegen opleiding;
  • structurele training;
  • afspraken met politie en OM;
  • duidelijke registratie;
  • actieve leidinggevenden;
  • en een cultuur waarin reflectie normaal is.

Zonder die randvoorwaarden wordt de wapenstok een risico. Met die randvoorwaarden kan het middel in specifieke situaties onderdeel zijn van professioneel handhaven.

In het volgende hoofdstuk kijken we hoe organisaties na de pilot met deze lessen zijn omgegaan. Want de proef was één ding. De praktijk daarna laat zien waarom sommige gemeenten en werkgevers wél verdergaan, terwijl andere terughoudend blijven.

Hoofdstuk 4 – De praktijk na de pilot

Waarom sommige organisaties wel kiezen voor de korte wapenstok en andere niet

Met het verschijnen van het WODC-rapport in 2022 eindigde de landelijke pilot. Maar daarmee eindigde de discussie niet. Integendeel. Vanaf dat moment stonden gemeenten en andere boa-werkgevers voor een nieuwe vraag:

Wat betekenen de uitkomsten van de pilot voor onze eigen organisatie?

Het antwoord bleek niet overal hetzelfde. Sommige organisaties zetten de volgende stap en vroegen toestemming om de korte wapenstok structureel in te voeren. Andere besloten juist dat de bestaande werkwijze voldoende aansloot bij hun praktijk. Weer andere organisaties wilden eerst meer ervaring opdoen voordat zij een definitief besluit namen. Dat laat zien dat de uitkomsten van de pilot niet automatisch tot één landelijke conclusie hebben geleid.

De lokale praktijk maakt het verschil

De ene boa werkt voornamelijk in een rustige woonwijk. De andere staat ieder weekend in een druk uitgaansgebied of krijgt te maken met agressie rond evenementen, demonstraties of ondermijningsproblematiek. Juist daarom verschillen ook de afwegingen van werkgevers.

De vraag is niet alleen:

“Is de korte wapenstok een verantwoord middel?”

Maar vooral:

“Is de korte wapenstok noodzakelijk voor onze boa’s?”

Die lokale context blijkt in vrijwel iedere aanvraag doorslaggevend.

Gemeenten die doorpakten

Een aantal gemeenten uit de landelijke pilot besloot de ervaringen om te zetten in een structurele aanvraag.

Zoetermeer is daarvan een goed voorbeeld. De gemeente nam deel aan de pilot en vroeg daarna toestemming om de korte wapenstok blijvend onderdeel te maken van de uitrusting van haar boa’s. Daarbij verwees zij onder meer naar de toegenomen complexiteit van het werk, de veiligheidsrisico’s waarmee boa’s worden geconfronteerd en de positieve ervaringen tijdens de pilot. Die aanvraagprocedure verliep niet snel: pas in mei 2026 kreeg de gemeente definitief en voor onbepaalde tijd toestemming, nadat het gemeentebestuur eerder publiekelijk had aangegeven de procedure als lang en omslachtig te ervaren.

Ook andere voormalige pilotgemeenten hebben de opgedane ervaringen benut om hun beleid verder te ontwikkelen. Niet iedere gemeente maakte daarbij dezelfde keuze, maar de pilot vormde wel een belangrijk referentiepunt voor het gesprek over veiligheid, taakuitoefening en professionalisering.

Nieuwe werkgevers sluiten aan

Niet alleen gemeenten kijken naar de ervaringen. Ook andere organisaties met boa’s volgen de ontwikkelingen nauwlettend. Een goed voorbeeld is de Nederlandse Spoorwegen.

In 2026 startte de NS een proef van één jaar waarbij ongeveer 75 boa’s van Veiligheid & Service, na een aanvullende opleiding, werden uitgerust met een korte wapenstok. De proef vindt plaats op stations in onder meer Rotterdam, Den Haag, Zwolle en Den Bosch, waar medewerkers relatief vaak worden geconfronteerd met agressie en geweld.

De aanleiding is herkenbaar: medewerkers moeten regelmatig zelfstandig optreden in situaties waarin politieondersteuning niet direct beschikbaar is. De NS wil onderzoeken of de korte wapenstok kan bijdragen aan een veiliger optreden en een betere beheersing van escalaties. Dat laat zien dat de discussie zich inmiddels niet meer beperkt tot gemeentelijke handhaving.

Niet iedere organisatie kiest dezelfde route

Dat sommige organisaties verder gaan, betekent niet dat iedere werkgever automatisch dezelfde keuze maakt. Capelle aan den IJssel zette de inzet van de korte wapenstok na de pilot niet voort. De gemeente deed aanvankelijk vooral mee om ervaring op te doen: burgemeester Peter Oskam gaf bij de start van de proef al aan dat er in Capelle op dat moment geen directe aanleiding was voor een wapenstok. Het gemeentebestuur benadrukte dat de kracht van de boa volgens haar in de eerste plaats ligt in communicatie, de-escalatie en zichtbaar gezag.

Ook andere gemeenten blijven terughoudend. Soms omdat zij relatief weinig geweldsincidenten kennen. Soms omdat zij vinden dat de politie in hun gebied voldoende snel ondersteuning kan bieden. En soms omdat zij eerst willen investeren in opleiding, samenwerking of organisatieontwikkeling voordat zij nadenken over aanvullende geweldsmiddelen.

Wanneer een aanvraag wordt afgewezen

De discussie kreeg in 2026 opnieuw aandacht toen bekend werd dat de aanvraag van de gemeente Emmen geen toestemming kreeg. Hoewel iedere aanvraag afzonderlijk wordt beoordeeld, maakt deze casus duidelijk dat een positieve pilot niet automatisch betekent dat iedere werkgever een korte wapenstok krijgt. Een aanvraag wordt beoordeeld op de eigen lokale situatie.

Daarbij wordt gekeken naar vragen als:

  • Hoe vaak krijgen boa’s daadwerkelijk te maken met geweld?
  • Welke taken voeren zij uit?
  • Welke risico’s lopen zij daarbij?
  • Welke alternatieven zijn beschikbaar?
  • Hoe zijn opleiding, training en toezicht georganiseerd?

De uitkomst kan daardoor per organisatie verschillen. Dat is geen willekeur. Het laat juist zien dat maatwerk centraal staat.

Er is geen landelijke standaard

Een opvallende conclusie na de pilot is dat Nederland bewust niet heeft gekozen voor een algemene invoering van de korte wapenstok. Daarmee wijkt de aanpak af van sommige andere ontwikkelingen binnen het boa-stelsel. Het uitgangspunt is dat de noodzaak lokaal moet worden aangetoond. Dat betekent dat twee gemeenten met vergelijkbare omvang toch tot verschillende keuzes kunnen komen. Niet omdat de ene organisatie veiligheid belangrijker vindt dan de andere. Maar omdat risico’s, taken, samenwerking met de politie en lokale omstandigheden verschillen.

De regels zijn volop in beweging

Het beoordelingskader zelf staat niet stil. In 2025 nam het parlement een wetswijziging aan die de basis voor bewapening en uitrusting van boa’s verlegt van beleidsregels naar een algemene maatregel van bestuur. Begin 2026 zijn ook de toekenningscriteria aangepast: waar voorheen vooral werd gekeken naar een aantoonbare toename van geweldsincidenten, wordt de noodzaak van een geweldsmiddel nu vooral onderbouwd vanuit de vastgelegde taak en rol van de boa.

Den Bosch was de eerste gemeente die na de nieuwe procedure een structurele, voor onbepaalde tijd geldende toekenning kreeg; boa’s dragen daar sinds 2023 weer een korte wapenstok. Zoetermeer volgde in mei 2026.

Ook Amsterdam liet zien dat zorgvuldigheid loont: de gemeente voerde naast de landelijke pilot een eigen tweejarige proef uit (2024-2025) met boa’s in het centrum. Uit nader onderzoek bleek later dat een deel van de geweldscijfers waarop de oorspronkelijke aanvraag was gebaseerd, te hoog was ingeschat. Dat onderstreept waarom toezichthouders en Justis zo veel gewicht toekennen aan een zorgvuldig onderbouwde risicoanalyse: overschatte cijfers ondermijnen het draagvlak voor een aanvraag, ook als de uiteindelijke ervaringen positief zijn.

Een rondgang langs grote gemeenten begin 2026 laat zien dat de meeste grote steden vooralsnog terughoudend blijven: gemeenten als Rotterdam, Almere, Eindhoven, Nijmegen en Tilburg gaven hun boa’s (nog) geen korte wapenstok, terwijl onder meer Breda, Ede, Den Bosch, Zoetermeer, Alkmaar en Haarlemmermeer deze wel hebben ingevoerd of gaan invoeren.

Wat leren we van deze praktijk?

Wanneer de voorbeelden naast elkaar worden gelegd, ontstaat een duidelijk patroon. Organisaties die kiezen voor de korte wapenstok verwijzen meestal naar:

  • een toename van agressie en geweld;
  • complexere veiligheidsvraagstukken;
  • een bredere taakuitoefening;
  • momenten waarop boa’s tijdelijk zonder directe politieondersteuning moeten optreden;
  • de wens om medewerkers beter te beschermen.

Organisaties die terughoudend blijven benadrukken juist:

  • de kracht van communicatie en de-escalatie;
  • het belang van een duidelijke rolverdeling tussen boa en politie;
  • de beperkte noodzaak binnen hun lokale situatie;
  • het risico dat een geweldsmiddel verwachtingen of gedrag kan veranderen.

Opvallend is dat beide groepen uiteindelijk hetzelfde doel nastreven. Zowel voor- als tegenstanders willen dat boa’s veilig, professioneel en verantwoord hun werk kunnen uitvoeren. Het verschil zit vooral in de vraag welke middelen daar het beste bij passen. Dat maakt de discussie genuanceerder dan zij op het eerste gezicht lijkt.

Meer dan een keuze voor een geweldsmiddel

De praktijk na de pilot laat zien dat de discussie over de korte wapenstok uiteindelijk vooral gaat over professioneel risicomanagement. Hoe bereid je medewerkers voor op complexe situaties?

Welke middelen zijn daarbij passend? En welke verantwoordelijkheid neem je als werkgever?

Dat brengt ons bij een volgende vraag.

Want wie bepaalt uiteindelijk of een organisatie de korte wapenstok mag invoeren?

Het antwoord daarop blijkt ingewikkelder dan veel mensen denken.

Hoofdstuk 5 – Wie beslist eigenlijk?

Achter iedere aanvraag schuilt een zorgvuldig besluitvormingsproces

Na de landelijke pilot kwam bij veel gemeenten dezelfde vraag op tafel:

“Als wij de korte wapenstok ook willen invoeren, hoe werkt dat eigenlijk?”

Het antwoord blijkt minder eenvoudig dan vaak wordt gedacht.

Er bestaat namelijk geen landelijke regeling waarbij iedere boa automatisch een korte wapenstok kan krijgen. Iedere aanvraag wordt afzonderlijk beoordeeld. Niet alleen op basis van de wens van een werkgever, maar vooral op basis van de vraag of de inzet in die specifieke situatie noodzakelijk én verantwoord is.

Juist daarom zijn sommige aanvragen goedgekeurd, terwijl andere organisaties geen toestemming kregen.

Geen besluit van één bestuurder

Vaak wordt gedacht dat een burgemeester of gemeenteraad hierover beslist. Dat is maar een deel van het verhaal.

Een aanvraag is het resultaat van samenwerking tussen verschillende partijen, die ieder vanuit hun eigen verantwoordelijkheid naar dezelfde vraag kijken:

Is de inzet van de korte wapenstok in deze organisatie verantwoord?

Dat maakt het besluitvormingsproces zorgvuldig, maar ook complex.

De werkgever zet de eerste stap

Iedere aanvraag begint bij de werkgever. Dat kan een gemeente zijn, maar ook een organisatie zoals de NS of een andere boa-werkgever. De werkgever moet eerst zelf kunnen onderbouwen waarom de korte wapenstok noodzakelijk is.

Daarbij spelen onder andere de volgende vragen:

  • Met welke situaties krijgen boa’s te maken?
  • Hoe vaak is sprake van agressie of geweld?
  • Welke risico’s lopen medewerkers?
  • Waarom zijn bestaande middelen onvoldoende?
  • Welke taken voeren de boa’s daadwerkelijk uit?

Die onderbouwing vormt de basis van de aanvraag.

Veiligheid vraagt om meer dan een geweldsmiddel

Een belangrijk uitgangspunt in het landelijke beleid is dat een geweldsmiddel nooit op zichzelf staat. De overheid kijkt daarom niet alleen naar de risico’s op straat, maar ook naar de manier waarop een organisatie haar medewerkers ondersteunt.

Denk bijvoorbeeld aan:

  • selectie van medewerkers;
  • opleiding en certificering;
  • periodieke vaardigheidstraining;
  • begeleiding door leidinggevenden;
  • registratie van geweldsincidenten;
  • evaluatie en leren van praktijkervaringen.

Met andere woorden:

Een organisatie vraagt niet alleen toestemming voor een wapenstok. Zij vraagt vertrouwen om zorgvuldig met een geweldsmiddel om te gaan.

De rol van politie en Openbaar Ministerie

Vervolgens kijken ook de politie en het Openbaar Ministerie mee. Niet vanuit de vraag of boa’s goed of slecht functioneren, maar vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voor de openbare orde en de strafrechtelijke handhaving.

Zij beoordelen onder meer:

  • sluiten de werkzaamheden aan bij de gevraagde uitrusting;
  • zijn de afspraken tussen politie en boa’s helder;
  • is de samenwerking goed georganiseerd;
  • past de aanvraag binnen het lokale veiligheidsbeeld?

Juist deze afstemming is belangrijk. Boa’s en politie werken steeds intensiever samen, maar hebben verschillende taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Een duidelijke rolverdeling voorkomt onduidelijkheid, zowel voor professionals als voor inwoners.

De beoordeling door Justis

Een centrale rol in het proces is weggelegd voor Justis, de screeningsautoriteit van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Justis beoordeelt aanvragen namens de minister of staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, die de aanvraag formeel toekent of afwijst.

Justis beoordeelt iedere aanvraag integraal.Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de risicoanalyse, maar ook naar de kwaliteit van de organisatie. Is de noodzaak overtuigend aangetoond? Past de korte wapenstok bij de werkzaamheden? Zijn opleiding, training en toezicht goed geregeld? Is duidelijk hoe geweld wordt geregistreerd en geëvalueerd? En zijn afspraken gemaakt met politie en Openbaar Ministerie?

Pas wanneer deze onderdelen voldoende zijn onderbouwd, kan toestemming worden verleend.

Waarom krijgt de ene organisatie wel toestemming?

Uit de aanvragen die de afgelopen jaren zijn beoordeeld, ontstaat een duidelijk beeld. Succesvolle aanvragen kenmerken zich meestal door een combinatie van factoren:

  • een goed onderbouwde risicoanalyse;
  • aantoonbare geweldsincidenten;
  • een heldere beschrijving van de werkzaamheden;
  • structurele opleidingen en vaardigheidstrainingen;
  • duidelijke afspraken met politie en Openbaar Ministerie;
  • een organisatie die laat zien hoe zij toezicht houdt op verantwoord gebruik.

De korte wapenstok is daarbij nooit het vertrekpunt. Hij vormt het sluitstuk van een bredere visie op veiligheid en professionaliteit.

Waarom wordt een aanvraag afgewezen?

Ook afwijzingen laten zien hoe zorgvuldig het proces is ingericht. Een aanvraag kan worden afgewezen wanneer:

  • de noodzaak onvoldoende is aangetoond;
  • de risicoanalyse te algemeen blijft;
  • de werkzaamheden onvoldoende aansluiten bij het gevraagde geweldsmiddel;
  • opleiding of toetsing nog niet voldoende zijn uitgewerkt;
  • afspraken met ketenpartners ontbreken of onvoldoende zijn vastgelegd.

Dat betekent niet automatisch dat een organisatie haar werk niet goed doet. Het betekent vooral dat de onderbouwing nog niet overtuigend genoeg is om de inzet van een geweldsmiddel te rechtvaardigen.

De echte vraag achter iedere aanvraag

Wie het besluitvormingsproces bekijkt, ziet dat de discussie uiteindelijk nauwelijks draait om de korte wapenstok zelf. De centrale vraag is steeds dezelfde:

Kan deze organisatie aantonen dat zij haar boa’s professioneel, zorgvuldig en verantwoord laat werken?

Dat maakt de aanvraag tot veel meer dan een administratieve procedure. Zij vormt in feite een toets op de kwaliteit van de organisatie. En misschien is dat wel de belangrijkste les. Een geweldsmiddel vraagt niet alleen om vakbekwame boa’s. Het vraagt ook om vakbekwame leidinggevenden, duidelijke processen en een organisatiecultuur waarin veiligheid, leren en professionele reflectie vanzelfsprekend zijn.

In het volgende hoofdstuk maken we daarom de stap van beleid naar praktijk. Welke bredere lessen kunnen organisaties trekken uit de ontwikkelingen van de afgelopen jaren? En wat betekenen die lessen voor de verdere professionalisering van het boa-vak?

Hoofdstuk 6 – Meer dan een wapenstok

Zes lessen voor de verdere professionalisering van het boa-vak

Na de landelijke pilot, de ervaringen van gemeenten en de besluitvorming van de afgelopen jaren blijft één vraag over:

Wat leren we hier nu eigenlijk van?

Wie alle ontwikkelingen naast elkaar legt, ziet dat de discussie over de korte wapenstok uiteindelijk veel groter is dan de vraag of boa’s een extra geweldsmiddel nodig hebben. Ze laat vooral zien hoe het boa-vak zich ontwikkelt. En welke keuzes organisaties de komende jaren moeten maken. De afgelopen jaren leveren wat ons betreft zes belangrijke lessen op.

Les 1 – Een geweldsmiddel is nooit een oplossing op zichzelf

Het publieke debat gaat vaak over de vraag of een boa een korte wapenstok moet dragen. Maar vrijwel alle onderzoeken, evaluaties en beleidsstukken wijzen dezelfde kant op. Een geweldsmiddel maakt een organisatie niet veiliger. Dat doen de mensen die ermee werken.

De korte wapenstok kan een passend hulpmiddel zijn in specifieke situaties. Maar zonder goede selectie, opleiding, training en professionele begeleiding blijft ieder geweldsmiddel kwetsbaar. Daarom begint veiligheid niet bij de uitrusting. Zij begint bij vakmanschap.

Les 2 – De-escalatie blijft het belangrijkste instrument

Misschien wel de meest opvallende conclusie uit de landelijke pilot is dat de wapenstok slechts in een beperkt aantal situaties daadwerkelijk werd gebruikt. Dat bevestigt iets wat iedere ervaren handhaver al weet. De belangrijkste ‘uitrusting’ van een boa bestaat uit communicatie, zelfbeheersing en professioneel optreden. Een goede boa lost verreweg de meeste situaties op zonder geweld. Juist daarom moeten organisaties blijven investeren in gesprekstechnieken, conflictbeheersing en situationeel optreden. Niet ondanks de discussie over de korte wapenstok. Maar juist dankzij die discussie.

Les 3 – Professioneel handelen vraagt om professioneel leiderschap

Veilig werken is geen individuele verantwoordelijkheid. Het is een organisatievraagstuk. Leidinggevenden spelen daarin een sleutelrol. Zij bepalen mede hoe incidenten worden besproken, hoe medewerkers worden begeleid, hoe feedback wordt gegeven en hoe geleerd wordt van ervaringen op straat. Een organisatie waarin incidenten alleen worden geregistreerd, leert minder dan een organisatie waarin incidenten ook worden besproken. Professionalisering vraagt daarom niet alleen om goede boa’s. Zij vraagt ook om sterke leidinggevenden.

Les 4 – Selectie wordt steeds belangrijker

Naarmate het werk complexer wordt, nemen ook de eisen aan professionals toe. Kennis van wetgeving blijft belangrijk. Maar minstens zo belangrijk zijn eigenschappen als:

  • stressbestendigheid;
  • oordeelsvermogen;
  • emotionele stabiliteit;
  • zelfreflectie;
  • communicatieve vaardigheden;
  • samenwerken onder druk.

Juist in situaties waarin emoties oplopen, bepalen deze competenties vaak het verschil tussen escalatie en de-escalatie. Dat maakt selectie niet langer een administratieve stap aan het begin van een loopbaan. Het wordt een strategische investering in de kwaliteit van de organisatie.

Les 5 – Leren stopt niet na de opleiding

De praktijk verandert voortdurend. Nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen brengen nieuwe dilemma’s met zich mee. Daarom is vakmanschap geen eindpunt, maar een continu proces. Dat vraagt om:

  • realistische trainingen;
  • periodieke vaardigheidstoetsen;
  • intervisie;
  • reflectie op incidenten;
  • coaching;
  • ruimte om van elkaar te leren.

Juist organisaties die investeren in een lerende cultuur blijken beter in staat om medewerkers veilig en professioneel te laten functioneren.

Les 6 – De toekomst vraagt om een bredere blik

Misschien is dit wel de belangrijkste les van allemaal. De discussie over de korte wapenstok is geen discussie over een geweldsmiddel. Het is een spiegel. Een spiegel die laat zien hoe het boa-vak verandert. Hoe de verwachtingen van de samenleving groeien. En hoe organisaties moeten meebewegen. Dat vraagt om een bredere visie dan alleen de vraag welke uitrusting een boa nodig heeft. Het vraagt om aandacht voor duurzame inzetbaarheid, mentale weerbaarheid, teamontwikkeling, leiderschap en professionele samenwerking.

Juist daar ligt de grootste uitdaging voor de komende jaren.

Van reageren naar vooruitkijken

Veel organisaties reageren op ontwikkelingen die zich al hebben voorgedaan. Een ernstig incident. Een toename van agressie. Een veranderende taak. Een nieuwe aanvraag. Maar misschien is het tijd om de volgorde om te draaien.

Niet wachten tot de praktijk verandert. Maar nu al investeren in de professionals die die praktijk straks vormgeven. Dat vraagt om bestuurders die verder kijken dan de actualiteit. Om leidinggevenden die ruimte maken voor ontwikkeling. En om organisaties die veiligheid niet alleen zien als bescherming tegen risico’s, maar ook als investeren in de mensen die dagelijks namens de overheid optreden.

De discussie over de korte wapenstok laat zien dat die ontwikkeling al volop gaande is. De vraag is niet óf het boa-vak verandert. De vraag is hoe wij ervoor zorgen dat professionals daarin kunnen meegroeien.

In het afsluitende hoofdstuk kijken we daarom vooruit. Hoe ziet de boa van de toekomst eruit? Welke keuzes liggen er voor organisaties? En welke vragen verdienen de komende jaren een plek in het maatschappelijke debat?

Hoofdstuk 7 – De volgende stap

De toekomst van de boa begint niet bij een wapenstok

Aan het begin van deze whitepaper stelden we een ogenschijnlijk eenvoudige vraag:

Moeten boa’s beschikken over een korte wapenstok?

Na zeven hoofdstukken weten we dat die vraag eigenlijk te klein is.

De afgelopen jaren hebben laten zien dat de discussie over de korte wapenstok nooit alleen over een geweldsmiddel is gegaan. Zij raakt aan veel grotere vragen. Over de ontwikkeling van het boa-vak. Over de verwachtingen die de samenleving stelt aan handhaving. En over de manier waarop organisaties hun professionals voorbereiden op een steeds complexere praktijk.

Misschien is dat wel de belangrijkste conclusie van deze whitepaper.

Niet de wapenstok staat centraal. De professional staat centraal.

Een vak dat blijft veranderen

De samenleving staat niet stil. Gemeenten krijgen nieuwe verantwoordelijkheden. Veiligheidsvraagstukken worden complexer. Burgers verwachten zichtbare aanwezigheid én professioneel optreden. Tegelijkertijd krijgen boa’s steeds vaker te maken met situaties waarin communicatie, conflictbeheersing en besluitvorming onder druk samenkomen.

Dat vraagt om meer dan goede intenties. Het vraagt om organisaties die bewust investeren in de kwaliteit van hun mensen. Niet alleen wanneer zich een incident voordoet. Maar juist daarvoor.

De uitdaging ligt niet alleen op straat

Veel discussies over handhaving richten zich op wat er buiten gebeurt. Meer agressie. Meer overlast. Meer maatschappelijke spanningen. Maar minstens zo belangrijk is wat er binnen organisaties gebeurt.

Hoe worden nieuwe medewerkers geselecteerd?

Hoe worden collega’s begeleid?

Hoe leren teams van incidenten?

Hoe worden leidinggevenden ondersteund in hun rol?

En hoe zorgen we ervoor dat professionals, ook na jaren in een veeleisende functie, gemotiveerd, weerbaar en vakbekwaam blijven?

Juist daar wordt de kwaliteit van een organisatie zichtbaar.

De boa van 2030

Hoe ziet de boa van de toekomst eruit? Waarschijnlijk niet fundamenteel anders dan vandaag. Ook in 2030 zal het belangrijkste instrument van een boa bestaan uit professioneel contact met inwoners. Luisteren, uitleggen, begrenzen en de-escaleren blijven de basis van het vak. Maar de context waarin dat gebeurt, verandert wel.

De boa van de toekomst zal moeten kunnen schakelen tussen toezicht, handhaving, samenwerking met zorgpartners, digitale informatie, maatschappelijke spanningen en veiligheidsvraagstukken die steeds minder eenvoudig zijn af te bakenen.

Dat vraagt om professionals die niet alleen vakbekwaam zijn, maar ook beschikken over een groot aanpassingsvermogen, zelfreflectie en een stevig moreel kompas.

De rol van werkgevers

Ook werkgevers staan voor belangrijke keuzes. Investeren zij vooral wanneer nieuwe middelen nodig zijn? Of investeren zij structureel in de ontwikkeling van hun mensen? De ervaringen van de afgelopen jaren laten zien dat duurzame veiligheid niet begint bij uitrusting, maar bij organisatiekwaliteit. Bij selectie. Bij opleiding. Bij teamontwikkeling. Bij leiderschap. Bij een cultuur waarin leren vanzelfsprekend is.

Dat zijn investeringen die zich niet alleen terugbetalen in veiligere professionals, maar uiteindelijk ook in betere dienstverlening aan inwoners.

Een gezamenlijke verantwoordelijkheid

De toekomst van het boa-vak ligt niet uitsluitend in handen van één partij.

Niet alleen van de overheid. Niet alleen van gemeenten. Niet alleen van politie of Openbaar Ministerie. En ook niet alleen van de boa zelf. Professionalisering vraagt om samenwerking. Tussen bestuurders, leidinggevenden, opleiders, onderzoekers, beleidsmakers en de professionals op straat.

Alleen wanneer die partijen gezamenlijk blijven investeren in kwaliteit, ontstaat een handhaving die klaar is voor de uitdagingen van morgen.

 

De echte vraag

Misschien is de belangrijkste vraag daarom niet: “Moet iedere boa een korte wapenstok krijgen?”

Maar eerder:

Hoe zorgen we ervoor dat iedere boa beschikt over de kennis, vaardigheden, ondersteuning en professionele ruimte om in complexe situaties de juiste beslissing te nemen?

Die vraag is minder eenvoudig. Maar waarschijnlijk wel veel belangrijker.

Tot slot

De discussie over de korte wapenstok zal de komende jaren ongetwijfeld blijven bestaan. Nieuwe pilots, maatschappelijke ontwikkelingen en politieke keuzes zullen steeds opnieuw aanleiding geven tot debat. Dit is gezond, want een samenleving die kritisch blijft kijken naar de bevoegdheden van haar handhavers, laat zien dat zij veiligheid én zorgvuldigheid belangrijk vindt. Laten we daarbij vooral niet vergeten waar het uiteindelijk om draait. Achter iedere beleidsdiscussie staat een professional. Een boa die dagelijks het verschil probeert te maken in buurten, winkelcentra, natuurgebieden, stations en uitgaansgebieden. Een professional die soms moeilijke keuzes moet maken. Die onder druk moet kunnen blijven handelen. En die aan het einde van de dienst weer veilig naar huis wil. Wanneer we de discussie over de korte wapenstok vanuit dat perspectief blijven voeren, gaat zij niet langer alleen over een geweldsmiddel. Dan gaat zij over de toekomst van een vak. En over de mensen die dat vak iedere dag met toewijding uitvoeren.

Over deze whitepaper

De discussie over de korte wapenstok voor boa’s wordt vaak gevoerd vanuit incidenten, politieke standpunten of persoonlijke ervaringen. Tegelijkertijd bestaat er behoefte aan een overzicht dat feiten, praktijkervaringen en actuele ontwikkelingen met elkaar verbindt.

Met deze whitepaper wil het Landelijk AdviesCentrum Uniformberoepen (LACU) bijdragen aan een zorgvuldig en genuanceerd gesprek over dit onderwerp. Niet door een standpunt vóór of tegen de korte wapenstok in te nemen, maar door inzicht te bieden in de ontwikkeling van het boa-vak, de uitkomsten van de landelijke pilot, de besluitvorming achter aanvragen en de bredere vraagstukken die hierbij een rol spelen.

Wij geloven dat goede besluitvorming begint met betrouwbare informatie. Daarom is deze whitepaper gebaseerd op openbare bronnen, waaronder wetenschappelijke onderzoeken, evaluatierapporten, Kamerstukken en beleidsdocumenten, aangevuld met actuele praktijkvoorbeelden uit het werkveld.

Tegelijkertijd is deze publicatie meer dan een overzicht van feiten. De discussie over de korte wapenstok raakt aan fundamentele vragen over professionalisering, vakmanschap, leiderschap, selectie, opleiding en mentale weerbaarheid. Juist die thema’s verdienen volgens het LACU blijvende aandacht, omdat zij uiteindelijk bepalend zijn voor de kwaliteit, veiligheid en duurzame inzetbaarheid van professionals in uniform.

Wij hopen dat deze whitepaper bestuurders, leidinggevenden, beleidsmakers, opleiders en boa’s ondersteunt bij het voeren van een open en goed onderbouwd gesprek over de toekomst van het vak.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This field is required.

This field is required.